Hoofdstuk 1 Basis programmabegroting

1.1 Basis Programmabegroting

Terug naar navigatie - 1.1 Basis Programmabegroting

Raadsakkoord 2022-2026 / Collegeprogramma
Het raadsakkoord met de financiële vertaling is op 2 juni 2022 unaniem vastgesteld door de gemeenteraad. De financiële vertaling van het raadsakkoord is als vertrekpunt genomen bij de opstelling van de Programmabegroting 2025 - 2028. Het meerjarenperspectief uit de Programmabegroting 2024-2027 vormt de basis voor de opstelling van de Programmabegroting 2025-2028.

Uitgangspunten Programmabegroting 2025-2028
De uitgangspunten voor de Programmabegroting 2025-2028 zijn vastgesteld op 25 april 2024. De prijscompensatie voor de uitgaven en de inkomsten van 2025 is vastgesteld op 3%. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de prijsontwikkeling bruto binnenlands product (bbp) zoals opgenomen in de meest recente Septembercirculaire Algemene uitkering Gemeentefonds. In de Septembercirculaire 2023 is aangegeven dat de geraamde prijsontwikkeling BBP voor 2025 afgerond 3% bedraagt. 

In het najaar 2023 is een nieuwe cao afgesloten voor de periode van 2-1-2024 tot 1-3-2025. Voor 2024 betekent dit een verhoging 4,75% per 1 januari 2024 plus 1,25% per 1 oktober 2024; totaal 6%. Deze cao heeft een looptijd tot 1-3-2025 waardoor geen zicht is op de verwachte stijging in 2025. In de Septembercirculaire 2023 wordt voor 2025 afgerond 5,5% verwacht. Voor 2024 is een aanpassing nodig omdat de werkelijke cao-ontwikkeling beduidend hoger is dan de raming (raming was 4%). Per saldo is in de perspectievennota een loonstijging van 5,5% voorgesteld.

Bij het opstellen van de perspectievennota 2025-2028 is de pensioenpremie 2025 nog niet bekend. Het bestuur van ABP beziet de premie vanuit een meerjarenperspectief. In de Programmabegroting 2025-2028 is uitgegaan van 0% stijging/daling van de pensioenpremies.

Het percentage ten behoeve van de compensatie reserves is 3%.

Het rentepercentage kapitaallasten is 1,5%.

Meicirculaire 2024
In de Meicirculaire wordt ingegaan op de ontwikkeling van de Algemene uitkering Gemeentefonds. In het volgende hoofdstuk wordt verder ingegaan op de Algemene uitkering.

1.2 Hoofdprioriteiten nieuw beleid

Terug naar navigatie - 1.2 Hoofdprioriteiten nieuw beleid

Bij het vaststellen van het raadsakkoord heeft de gemeenteraad een aantal prioriteiten voor nieuw beleid geformuleerd. Bij het opstellen van de perspectievennota krijgen de fracties de mogelijkheid aanvullend nieuw beleid voor te dragen. Bij vaststelling van de perspectievennota zijn geen bestuurlijke wensen met financiële gevolgen uitgesproken. 

1.3 Uitgangspunten bestaand beleid

Terug naar navigatie - 1.3 Uitgangspunten bestaand beleid

Op basis van bestaand beleid zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  1. Het bestaand beleid houdt in dat de ramingen voor de begroting 2025 zijn gebaseerd op de ramingen in Programmabegroting 2024-2027. Deze worden verhoogd met het vastgestelde percentage voor prijscompensatie. Zoals hiervoor aangegeven is dit percentage voor 2025 vastgesteld op 3%.
  2.  De uitgangspunten zoals verwoord in de Financiële verordening 2023 gemeente Nunspeet en in de nota ‘Reserves en Voorzieningen herijking 2024’ zijn toegepast.

Onroerendezaakbelastingen (OZB)
Op grond van de vastgestelde Uitgangspunten bij de programmabegroting 2025-2028 mag de OZB jaarlijks worden verhoogd met de prijscompensatie. Voor 2025 is dit vastgesteld op 3%. Het beleid is dat van een verhoging van de gemeentelijke belasting alleen sprake is als gevolg van de jaarlijkse prijscompensatie en bij door de raad geaccordeerd nieuw beleid nadat eerst bekeken is welk oud beleid kan vervallen. Daarbij worden plannen zorgvuldig afgewogen tegen de lastenverzwaring voor de burgers. Tevens is aangegeven dat er een verhoging mag plaatsvinden voor eventueel grote projecten. Deze uitgangspunten zijn vertaald in de programmabegroting. Om verwarring te voorkomen wordt benadrukt dat in deze fase het OZB-tarief nog niet aan de orde is. Nu gaat het uitsluitend over de (procentuele stijging van de) raming van de totale opbrengst uit OZB. Wat het uiteindelijke OZB-tarief moet worden, gelet op de benodigde opbrengst, wordt mede bepaald door een inschatting van het volume waarover kan worden geheven (de WOZ-waarde binnen de gemeente) en komt bij de vaststelling van de tarieven aan de orde.

Overige belastingen en rechten
Overeenkomstig bestaand beleid is bij de berekening van de tarieven voor de gemeentelijke belastingen en rechten rekening gehouden met het percentage dat is opgenomen voor de prijscompensatie. Van belang hierbij is op te merken dat wat betreft de opbrengsten afvalstoffenheffing, rioolheffing, begraafplaatsen en weekmarkt rekening wordt gehouden met de maximale kostendekkendheid. De totale opbrengsten van deze belastingen en rechten mogen niet hoger zijn dan de totaal geraamde kosten.

Onvoorziene uitgaven
Op grond van artikel 8, lid 1 van het Besluit Begroting en Verantwoording is in de begroting een post voor ‘onvoorziene uitgaven’ opgenomen. In de begroting is een bedrag geraamd van € 90.000,--. Dit bedrag wordt gesplitst in onvoorziene uitgaven incidenteel (€ 64.000,--) en onvoorziene uitgaven structureel (€ 26.000,--).

Compensatie reserves en voorzieningen en kapitaalslasten nieuwe investeringen
Aan enkele reserves wordt inflatiecorrectie toegepast. Omdat de reserves aangewend kunnen worden ter dekking van kapitaallasten wordt het percentage van de BBP prijsindexatie conform de septembercirculaire 2023 is 3%.

Het investeringsprogramma zoals dat in de lopende begroting en meerjarenbegroting is vastgesteld wordt beschouwd als bestaand beleid. Nieuwe investeringen worden als regel slechts in het laatste jaar van de meerjarenraming toegevoegd. Verder is het van belang te melden dat het percentage compensatie ook geldt als het percentage voor de rentelasten van de investeringen.

1.4 Financiële vertaling van bestaand en nieuw beleid

Terug naar navigatie - 1.4 Financiële vertaling van bestaand en nieuw beleid

Financiële verkenning begroting 2025-2028        
( x € 1.000, -/- = positief)    2025    2026    2027    2028
Algemene uitkering, inzet stelpost en reservering voorzichtigheid  -1.432  -3.369  -3.320  -3.448
Algemene uitkering, jeugd  -745  -41 -41 -42
Verlagen taakstelling jeugd    745    41 41 42
Algemene uitkering, Participatie (WSW/beschut werk) -329 -314 -306 -330
Verhogen budget WSW/beschut werk 329 314 306 330
Bestaand beleid      4.293      4.224   4.297   3.976
totaal bestaand beleid   2.861 855    977    528
Nieuw beleid         
Wijziging wetgeving (structureel)    289      380    380     380
Wijziging wetgeving (incidenteel)       291       23    
Bestuurlijke wensen (structureel)                               
Bestuurlijke wensen (incidenteel)                                    
Vervangingsinvestering (structureel)        120 133        170        208
Overige wensen (structureel)      1.469       1.491     1.494     1.481
Overige wensen (incidenteel)        639        244          62        
Totaal nieuw beleid 2025-2028   2.808     2.271     2.106     2.070
         
Totaal financiële effecten begroting 2025-2028       5.669 3.126    3.083    2.598

 

Saldo bestaand beleid 2025
De jaarschijf 2025 laat op basis van het saldo bestaand beleid een negatief verschil zien ten opzichte van de jaarschijf 2025 in begroting 2024. De oorzaak hiervan ligt in de volgende ontwikkelingen:

  • De ontwikkeling van de algemene uitkering wordt voor een belangrijk deel bepaald door de ontwikkeling van de rijksuitgaven. Volgens het systeem van ‘samen de trap op en samen de trap af’ hebben wijzigingen in de rijksuitgaven direct invloed op de omvang van het gemeentefonds. De jaarlijkse toename of afname van het gemeentefonds, voortvloeiend uit de trap op-, trap af methode wordt het accres genoemd. Voor het meerjarige beeld 2025-2028 is, vanuit de meicirculaire 2024, het cumulatieve accres naar boven bijgesteld ten opzichte van de raming in de decembercirculaire gemeentefonds 2023.  
  • De geraamde kosten Jeugd zijn hoger dan de middelen die we ontvangen via de algemene uitkering gemeentefonds. Het verschil is als taakstelling verwerkt in de Programmabegroting 2024-2027. Op het moment dat de Rijk de bezuiniging terugdraait zal de taakstelling hierop worden gecorrigeerd, zoals nu deels incidenteel is gebeurd in 2025. Als het Rijk vasthoud aan de bezuiniging en er dus geen extra middelen komen via de algemene uitkering gemeentefonds, ligt er een grote uitdaging het tekort te realiseren door taakstelling Jeugd of door andere bezuinigingen maatregelingen bij andere taakvelden.
  • De hogere uitkering ten behoeve van de uitvoering  WSW/beschut werk is budgettair neutraal verwerkt.
  • In de 1e kwartaalrapportage 2024 is een extra structurele last opgenomen voor bedrijfsvoering van Meerinzicht (MIZ).
  • Voor zorgkosten Jeugd (naar aanleiding van 1e prognose 2024 van MIZ) wordt een extra verhoging verwacht waarvoor deels een extra verhoging in de Algemene Uitkering is te verwachten. Tevens worden voor Jeugdbescherming en Centrum Jeugd en Gezin extra verhogingen boven de indexering opgenomen.
  • In het kader van de Meerjarenonderhoudsplannen voor de gemeentelijke gebouwen zal vanaf 2025 een onderhoudsvoorziening gevormd worden, waarbij een extra last opgenomen dient te worden.
  • Het financiële effect van de vastgestelde loon- en prijscompensatie.
  • Het reëel ramen van de bijdragen aan de verbonden partijen op basis van de vastgestelde begrotingen.
  • Overige administratieve correcties t.a.v. bestaand beleid.

Algemene uitkering
De ontwikkeling van de algemene uitkering wordt voor een belangrijk deel bepaald door de ontwikkeling van de rijksuitgaven. Volgens het systeem van ‘samen de trap op en samen de trap af’ hebben wijzigingen in de rijksuitgaven direct invloed op de omvang van het gemeentefonds. De jaarlijkse toename of afname van het gemeentefonds, voortvloeiend uit de trap op-, trap af methode wordt het accres genoemd. Voor het meerjarige beeld 2025-2028 is, vanuit de meicirculaire 2024, het cumulatieve accres naar boven bijgesteld ten opzichte van de raming in de decembercirculaire gemeentefonds 2023.  

Nieuw beleid
Voor nieuw beleid zijn in de Programmabegroting 2025-2028 (kapitaal)lasten verwerkt. De lasten van het nieuwe beleid zijn ingedeeld in een aantal categorieën: lasten die voortvloeien vanuit een wettelijke verplichting, lasten die verband houden met vervangingsinvesteringen en lasten die betrekking hebben op overige bestuurlijke en vakinhoudelijke wensen. De overzichten zijn in de volgende bijlagen toegevoegd:

  • Bijlage A: overzicht nieuw beleid 2025-2028 per prioriteit.
  • Bijlage B: overzicht nieuw en oud beleid 2025-2028 per programma.
  • Bijlage D: overzicht nog uit te voeren werkzaamheden/investeringen 2024.

Toelichting bijlagen
Aan de hand van de bijlagen A en B kan enerzijds het voorgestelde nieuwe beleid per prioriteit worden beoordeeld en anderzijds kan een totaaloverzicht worden gegeven van het oude en nieuwe beleid per programma. Dit is de reden dat bijlage B is opgenomen.

1.5 Bijstelling van de programmabegroting

Terug naar navigatie - 1.5 Bijstelling van de programmabegroting

De begrotingspositie in structurele zin kan worden beïnvloed als gevolg van de uitkomsten van de Septembercirculaire Algemene Uitkering Gemeentefonds, collegebesluiten met structurele effecten en de kwartaalrapportages 2024. De uitkomsten hebben structureel invloed op onze begrotingspositie (inclusief dekkingsplan) voor de jaren 2025-2028. Over deze uitkomsten wordt de raad via een afzonderlijke brief in oktober 2024 geïnformeerd met betrekking tot de budgettaire effecten voor de begroting, inclusief de wijzigingen in het dekkingsplan.